Spellen van de Week

Spel van de week van 14 juli— Bob Lodder

De avond begon met het interessante praatje van Thijs Veugen over tegenspelen. Met name ging hij in op het uittellen van de hand van de leider, oftewel de verdeling of kleurverdeling van de leider. Thijs had die tip in een persoonlijk contact met Hans meegekregen omdat die bij hem in de buurt woonde en hij die regelmatig tegenkwam. De volledige presentatie vind je hieronder als bijlage.

Simulatie n.a.v. 2 juni

Als eerste wil ik nog even een terug kijken naar een spel dat ik beschreef in mijn spel van de week van 2 juni.

Ik schreef toen:

= = = = =

Na een pas van West opent Noord meestal 1 SA, en via een transfer van 2 komt het contract uit in 2. Tot zover niks geks. Onze tegenstanders vonden de start met een kleine harten, ze konden de derde harten troeven en zodoende bleef het bij 2 precies gemaakt. Niks geks dacht ik eerst.

Nu ik alle scorestaten bekijk, ziek ik dat de meeste tegenspelers met klaveren starten, en niet met harten. Daardoor lopen ze de introever bij harten mis.

Hoewel ik zelf alleen maar de nadelen heb ondervonden van de hartenstart, ben ik toch gefascineerd geraakt door de vraag: is een hartenstart een goede uitkomst, gegeven de bieding en de hand van Oost.

Aangezien ik geen simulatie programma heb waarmee ik duizenden handen kan doorrekenen, moet ik me op een andere manier met die vraag uiteenzetten.

= = = = =

Nu ik wel een simulatieprogramma heb en de hulp van ChatGPT heb ingeroepen heb ik een iets andere blik:

ChatGPT geeft de voorkeur voor harten, maar ChatGPT bleek bij andere handen geen betrouwbare resultaten te leveren. Welnu, inmiddels heb ik de beschikking over een simulatieprogramma en heb daarom de hand er maar eens doorheen gehaald. Wat bleek? Bij simulatie van 3000 handen levert een klaverstart 0,2 slagen meer op dan een hartenstart. Dus begrijpelijk dat het antwoord lastig te vinden was, omdat de uitkomsten ook behoorlijk dicht bij elkaar liggen.

Een biedprobleem

Vroeger was er een discussie over de vraag hoe goed een hand moet zijn om een preëmptief bod te rechtvaardigen. Ik heb lang geleden de regel van 2 en 3 geleerd en het boek “Profit from preempts” van C.C. Wei en Andersen (1977) gelezen . In dat boek wordt met name het gedisciplineerd preëmptief bieden aanbevolen. In veel beschrijvingen over preemptief bieden kom je dergelijke adviezen tegen. Heel soms is er ook een advies om geen 4 kaart hoge kleur ernaast te hebben.

Toen ik een paar jaar geleden weer met bridgen begon, samen met Marlon, kwam ik er al snel achter dat deze aanpak als achterhaald wordt beschouwd. In een boekje van Ed Hoogenkamp (alles wat u altijd wilde weten over: Preëmptief bieden) worden handen getoond waarop met een zevenkaart zonder enkele honneur preëmptief geopend werd, door Nederlandse topspelers. Op de club kom ik met name ook die laatste aanpak vaak tegen. Veel spelers bieden vaak op relatief zwakke handen toch preëmptief.

Ik weet zelf niet meer goed wat ik er van moet denken. Ik ben geneigd om gedisciplineerd te willen bieden, maar erken de voordelen die spelers halen die dat anders aanpakken. Ik neig er wel toe om bij gunstige kwetsbaarheid onszelf meer te veroorloven dan in andere situaties. Die situatie deed zich voor op spel 18:

Marlon en ik spelen het openingsbod van 2 ruiten als zwak met ruiten, dus geen multi. Met deze gunstige kwetsbaarheid vond ik het verleidelijk om 2 ruiten te openen, ondanks het waarschuwingslampje van de vierkaart harten ernaast. Aanvankelijk leek het niet slecht uit te pakken omdat Marlon mijn ruiten kon steunen. Maar toen we in 4 ruiten gedoubleerd 3 down gingen bleek het uiteindelijk een slechte score. En natuurlijk pijnlijk was de constatering van de 4-4 fit in harten! Nu terugkijkend op het spel vraag ik me af, waar ging het fout?

Allereerst vroeg ik mij af, hoe groot is eigenlijk de kans dat partner een vier- of vijfkaart harten meeheeft? Ik dacht dat die klein zou zijn, maar het viel toch tegen toen ik begon te rekenen.

Van alle ontbrekende harten, 13-4 = 9, kan partner er 4 of 5 hebben. Ik zie af van 6 hartens of meer, mogelijk kan partner dan nog in de bieding komen met harten. De kans op 6 of meer hartens is sowieso heel klein.

In formule uitgedrukt, is de kans op een vierkaart harten bij partner:

De kans op een 5 kaart harten is:

Merk op dat de aanwezigheid van een 6-kaart in ruiten geen invloed heeft op de kans op een hartenfit.

In totaal is de kans dus 31,3% dat er een hartenfit is. Dat is ongeveer de kans dat de troeven NIET 3-2 zitten als je er 5 mist. Bridge is natuurlijk een statistisch spel. Zo accepteer je dat je een manche mag bieden als die 68% kans heeft, bijvoorbeeld bij de noodzaak dat troeven 3-2 verdeeld zitten. Dus wellicht is het bieden van 2 ruiten acceptabel als je een vierkaart hoog hebt. Maar een hartenfit is zeker niet ondenkbaar.

Een ander punt is of je meerdere honneurs moet hebben in de kleur van de preëmpt. Van Hoogendijk geeft daar een interessant advies over. Hij adviseert dus ultra zwakke drie openingen bij gunstige kwetsbaarheid. Daarbij kan dat rustig worden gedaan op een zevenkaart met slechts als hoogste de Boer! Maar toch stelt hij dat juist een zwakke 2 opening WEL een goede kleur belooft. Hij noemt ABTxxx of HVxxxx als uitgangspunt. Dus daarmee zou mijn Oosthand op spel 18 dus net iets te zwak zijn. Ook dit vind ik verwarrend. Waarom mag een 3 opening op een slechte zevenkaart, maar moet een twee opening een sterke kleur beloven? Uiteraard draait alles om wat je met je partner afspreekt.

Tot slot is er nog de vraag: pakte het slecht uit omdat bijna altijd slecht uitpakt, of alleen bij deze spelverdeling? Als ik naar de Double Dummy uitkomst kijk, dan is de score van absolute Par dat Oost-West gedubbeld 2 down gaan in 4 harten of vier ruiten. Dus als ik 1 minder down gegaan zou zijn, dan zou het in theorie een redelijke score moeten kunnen opleveren. Maar op 14 juli bij DBC overigens niet, omdat veel Oost-West paren hoger scoorden, bij deze verdeling.

Net als bij veel andere spellen blijf ik met vragen zitten. Hoe kijken jullie aan tegen de verschillende eisen die je aan preëmptief bieden kunt stellen. Maken jullie ook een vergelijkbaar onderscheid bij een zwakke 2 en een opening op 3 niveau? Ik lees het graag in reacties.

In memoriam

Ik wil besluiten met een persoonlijke noot. Vorige week is mijn moeder van 93 overleden. Bij mijn praatje op de uitvaart heb ik stilgestaan bij de vele dingen die ik van haar heb geleerd. Daar hoorde bridge ook bij. Toen ik een jaar of 16 was gingen we met een zeilbootje naar Oostenrijk op vakantie. Ons plan was om te gaan zeilen op de Achensee. Maar het regende de hele week! Mijn moeder introduceerde toen bridge bij ons gezin. Ze had het vroeger op de universiteit gespeeld. Na die vakantie kreeg ik een boek van Wim Haver en mijn belangstelling was definitief gewekt. Niet lang daarna meldde ik me aan bij de jeugdclub De Delftse Duiveltjes, geleid door Peter Ladan. Daarna heb ik ongeveer een seizoen bij DBC gespeeld, met Paul van Raaij. Dat was een bijzondere tijd. DBC speelde toen nog in het Agnietenpark, en we speelden in de F-lijn! Zoveel lijnen waren er toen nog. Ook fijn was dat er een boekenplankje was en je boeken kon lenen. Zo raakte ik bekend met het boek van Wei en Anderson, waar ik aan het begin naar refereerde. Ook herinner ik me de gezellige avondjes met Ingeborg van der Werf, de zus van Ron, en Paul dus. Ik meen dat Ron destijds ook regelmatig langskwam. Van een jeugdwedstrijd kan ik me nog herinneren dat Enri Leufkens opeens kans zag om op een piano de Turkse Mars van Mozart te spelen. Hij kon niet alleen goed bridgen, maar ook nog goed piano spelen! Maar het spel bridge, heb ik door mijn moeder leren kennen.

Het praatje van Thijs Veugen

De presentatie van Thijs is hier te downloaden.